De zin en de onzin van carnaval…

Meer dan honderd jaar geleden in 1897, stelde een vriend van BOMBAST, Jantje de Graauw, onze Oernar deze vraag. “BOMBAST, Wat is de zin, of de onzin van dat hele feest wat jij carnaval noemt?” BOMBAST sprong op van zijn kruk, kroop op de toog en ging daar in kleermakerszit, uuh ja… zitten. Hij antwoordde als volgt:

“De zin en de onzin van carnaval? Er bestaan maar weinig vragen die moeilijker te beantwoorden zijn dan deze, Jantje. De zin en de onzin van carnaval? Dat is niet eens een vraag! Dat is de essentie. De zin is bij carnaval de onzin, en de onzin is de zin. Tis ongrijpbaar! Zodra je zin geeft aan dit feest, zal de onzin hem inhalen. En zodra je het onzin noemt, zal de zin ervan floreren. Althans, zo zou het moeten zijn. Nee, sorry, zei BOMBAST, zo is het ook. Maar dat is lang niet voor iedereen duidelijk. Als dat al de bedoeling zou zijn!” voegde hij er –nadenkend over wat hij net zei- snel aan toe!

“Weet je Jantje, je hebt 3 soorten mensen: mensen die carnaval niet serieus nemen en mensen die carnaval wel serieus nemen. Én… (BOMBAST had de gekke gewoonte om midden in een zin te pauzeren, puur voor het effect ervan) en je hebt zotten!”

“Weet je, in 1823 werd in Keulen het ‘Festkomitee’ opgericht. Daarmee kwam daar voor het eerst in de geschiedenis, na vele eeuwen van echt gezellig ongebreideld feesten, een einde aan het ongeorganiseerde carnaval. Alleen maar winnaars: dacht men. De carnavalsvierders kregen het recht op het vieren van carnaval, en het establishment wist voor het eerst met wie men te maken had en waar en wanneer er door wie gefeest zou worden.”

De vriend van BOMBAST was overweldigd door de kennis van de Oernar over het door hem zo geliefde feest. “De zot keek zeker heel anders tegen deze verandering aan!” stelde Jantje. De Oernar gaf antwoord: “Alleen de zot zag dat dit wel eens een langzame doodsteek kon zijn van dát wat voor hem de zin en de onzin ineen was, carnaval dus! De zot zag hoe zijn medefeestvierders zich kroonden tot voorzitters of tot hoofd van weet ik veel wat voor carnavalsgezelschap. De zot zag dat ze protocollen gingen schrijven. Regels bedachten. Serieus hè! Regels… voor carnaval!? De zot zag hoe zij afspraken maakten met dienders van God en stadsbestuurders en dat ze heulden met rijkelui die  hun braspartijen wilden betalen. De zot zag hoe zijn oude maten zichzelf – voor het eerst – ook belangrijk voelden én zich trots lieten portretteren naast de gevestigde orde. Men predikte ineens de zin van de onzin!? Met hun borsten vooruit. Volgehangen met nepijzeren onderscheidingen (alsof er echte zijn trouwens!). Men maakte de dienders belachelijk, maar spraken in achterkamertjes af dat men niet te ver zou gaan. De zot, de echte zot! Hij die niet met twee tongen, maar de waarheid spreekt. De zot die wil vieren en bekritiseren. De zot die niet gelooft in rangen en standen. De zot die ziet dat iedereen schijt op een pot en naakt is onder zijn of haar kleren. De zot die zich zelf maskeert én blootgeeft, zich verkleedt als edelman, boer of hoer! En, zoals alleen narren dat kunnen, de spiegel voor houdt bij iedereen die dat zelf niet meer durft. Maar ook, bij zichzelf! Dié zot zag als enige hoe men vergat dat het om een toneelstuk ging. Het mooiste element uit mijn feest!” zei BOMBAST ietwat emotioneel.

“Het toneelstuk waarin de omkering de leidraad is en de zotheid de hoofdrol speelt. De grootste zot wordt Prins of Koning en de gevestigde orde boerenvolk. Prachtig! Maar de zot weet dat het rollen zijn, geen functies! Die zotten, die zouden later trachten van protocollen weer kolder te maken. Maar ze zouden niet begrepen worden. Hoe kan het zo lopen!” eindigde BOMBAST in mineur. En daarom ben ik nu hier! BOMBAST schrok van zijn eigen uitspraak…

Want sja, dat was ook voor het eerst dat hij dit zichzelf hoorde zeggen. Daarom was hij hier…

Beide heren begrepen dat ze zojuist iets bijzonders ontdekt hadden. Het was even stil. Alleen het langzame geschuif van hun bierpullen op de toog was hoorbaar.

Om het gesprek te hervatten, nam zijn vriend het weer over. “Dus je zegt dat het georganiseerde carnaval een contradictie is? Zoals; opgeruimde puinhoop, zwarte sneeuw of een gelovige heiden.” “Ja”, zei BOMBAST, “een contradinges, al geniet ik er wel weer van als er zoveel mensen samen feest vieren!” En hij knipoogde naar zijn vriend! “Maar bedenk, carnaval is van het volk, het kent een oorsprong en het kent tradities, maar die zijn aan de tijdsgeest en plaats gebonden, het – kent – geen – regels, niet wanneer, niet hoe, het is van iedereen en van niemand, niemand kan het bezitten. Men kan het wel regelen, maar niet organiseren!”

BOMBAST richtte zich weer op, je zag dat hij nog vol emotie zat. Hij balde zijn beide vuisten en ging verder “De zot! Ja, de zot. De zot snapt dat carnaval geen zin heeft, maar dat het wel zin heeft om het te vieren. De zot snapt dat de onzin geen zin heeft, maar dat de onzin én daarmee het leven wel gevierd moet worden. Dat is wat ook Erasmus bedoelde in de Lof der Zotheid!”

Jantje kende Erasmus niet, laat staan zijn bekendste boek, maar snapte wat zijn vriend zei. “Dus, wie carnaval, maar wellicht ook het leven – vervolgde Jantje – niet serieus neemt, zal zich net zo hard moeten schamen als zij die dat wel doen”. “Schamen? Dat moet je nooit doen als het om carnaval gaat, antwoordde BOMBAST, Mar nun kir achter oe wore krabbe zou nie verkird zen”. “Dus Carnaval moet je niet snappen, carnaval moet je niet uitleggen, Carnaval moet je vieren, carnaval, dat moet je beleven? Bedoel je dat?” vroeg Jantje. “Ja! riep BOMBAST, uuh nee, bijna goed. Mág je vieren en mág je beleven. Vol leut, saamhorig en zonder zuurpruimen!”

“Eén geruststellende gedachte, Jantje: Stultorum numerus infintus est.” “En wat betekent dat, BOMBAST?” vroeg Jantje terwijl hij hun beide pullen vulde met bier van hun vriend Smits van de Gekroonde Bel!

BOMBAST gebaarde bij het uitspreken met z’n handen alsof hij het zo in de gevel van de herberg zag staan “Stultorum numerus infintus est. Het aantal zotten is oneindig. Zij die de vraag over de zin of onzin van carnaval weigeren te beantwoorden, maar haar wel trachten te duiden. Het aantal zotten is oneindig! En, Jantje daarmee, daarmee zal carnaval nimmer vergaan dan met de mens!”

“HOOG!”

“Op BOMBAST” riepen beide heren.

 

Het was een mooie avond en dat gingen ze vieren

…met alle gevolgen van dien!